Heb jij je weleens afgevraagd hoe het zou zijn geweest als je was geboren met een verstandelijke beperking? Wanneer mensen vanaf het vroegste begin met een bezorgde blik over je wiegje hadden gehangen? Niet wetende wat te doen met je? Dat sommige graag bij je zijn, maar de meesten niet. Dat de wereld voor jou onder te verdelen is in veilig en onveilig, maar dat je te kwetsbaar bent om te bepalen wat wat is? Dat je altijd de ander nodig zult hebben?

Het lijkt alweer eeuwen geleden dat ik met een bonzend hart zat te wachten op mijn werkbegeleider. Samen met medestudenten van de HBO-V giechelend in de gang van de instelling die we met vele omwegen hadden gevonden. Voor het eerst zouden we kennismaken met de doelgroep en ik zag er vreselijk tegenop. Eerlijk gezegd vond ik ze eng en misschien wel een beetje vies. 

We hoefden niet lang te wachten en werden al snel een voor een geroepen. Ik mocht meelopen met een vrouw die me geruststelde met een hartelijke glimlach. Zenuwachtig liep ik achter haar aan. De deur werd voor me opengedaan naar een andere ruimte. Opeens stond ik midden in een woonkamer. Gele kleuren aan de muur, een grote box in de hoek en vrolijke muziek op de achtergrond. Her en der zag ik mensen zitten. Aan de eettafel hing een jongen iets scheef in een grote rolstoel. “Hoi pipeloi.”, kwam er uit zijn mond. Zo leuk was ik nog nooit begroet. Uitnodigend stond er een stoel voor me klaar en gespannen ging ik zitten. Ik veegde mijn zweterige handen af aan mijn knieën. Wat kon ik verwachten? Als op commando kwamen er anderen aangelopen die erbij gingen zitten. Een jongen bleef staan en leek te twijfelen wat te doen. Mijn hart klopte in mijn keel. Toen stevende hij recht op mij af en liet zich neerploffen op mijn schoot om vervolgens zijn handpalm op mijn neus heen en weer te laten neerkomen. “Oink, oink, oink”, was alles wat hij zei. Ik wist niet hoe ik het had. De begeleidster keek glimlachend toe. “Laat je altijd iedereen zomaar op je schoot zitten?”. Nee, natuurlijk niet, maar dit was toch anders? Zachtjes sprak ze de jongen aan. “Kom Chris, laat Mintje maar even wennen.” Met tegenzin stond de jongen op. Gek genoeg vond ik het jammer dat hij ging. Door hem had ik me gezien gevoeld.

Dit voorval is tekenend geweest voor de weken die daarop volgden. Ik kwam binnen als een onzekere puber die zich geen houding wist te geven. Maar door de unieke manier waarop de bewoners met mij omgingen, werd ik meer en meer mezelf. Ik begon met een ernstig vooroordeel en leerde van hen hoe misplaatst dit was. Ik kan met alle eerlijkheid zeggen dat het de mooiste stage is geweest die ik ooit heb gehad.

Ik weet dat deze periode iets in mij heeft gevormd: hoe ik naar mensen kijk, en hoe ik zelf in het leven wil staan.

Nu voor 15,00

Trending